Wikje Muller-Draaistra: “We vinden kopiëren en plakken normaal – maar dat is het niet”

Digitale ondersteuning van proactieve zorgplanning (pzp) staat of valt met informatie die op het juiste moment beschikbaar is – óók in de wijk. Wikje Muller-Draaistra, één van de voltijd Chief Nursing Information Officers (CNIO) in de VVT, vertelt wat er werkt, wat schuurt en waar de kansen liggen.

Jij bent één van de weinigen voltijd CNIO’s in de VVT. Wat houdt jouw rol precies in?

Wikje Muller-Draaistra

Wikje: “Ik ben van oorsprong wijkverpleegkundige en werk bij Kwadrant in Friesland. In de praktijk liep ik tegen van alles aan – ik noem het mijn ‘shitlist’. Toen ik vaker met de ICT-afdeling samenwerkte, zag ik: hier kún je echt dingen verbeteren. Als CNIO maak ik vanuit verpleegkundig perspectief de vertaalslag tussen zorg en IT, zodat digitale oplossingen aansluiten op ons werk en op wat cliënten nodig hebben.”

Waarom is die rol van CNIO zo relevant voor de VVT?
Wikje: “Omdat er veel ontwikkeld wordt, maar niet altijd vanuit een behoefte. Dan krijg je mooie oplossingen die op papier kloppen, maar in de zorg niet werken. De kern is: begin bij wat de cliënt nodig heeft en wat zorgverleners nodig hebben – en kies dáárna de techniek. Daarvoor heb je mensen nodig die het werkproces in de wijk van binnen en buiten kennen én die tijd en mandaat hebben om aan strategische tafels mee te praten, intern én regionaal.”

Wat gebeurt er als zorgprofessionals te laat worden betrokken bij technische keuzes?
Wikje: “Dan ontstaan oplossingen waar je als zorgverlener omheen gaat werken. Heel praktisch: als iets alleen goed werkt op een laptop, maar wij werken vooral met smartphones, dan wordt het in de wijk nooit écht gebruikt. Of het kost te veel handelingen, je moet steeds wisselen tussen systemen, of kopiëren en plakken. Dan haken mensen af – en terecht.”

Kun je beschrijven waar digitalisering en informatie-uitwisseling echt knellen?
Wikje:“Ik maakte mee dat een patiënt werd overgedragen van een ziekenhuis naar een hospice en onduidelijk was welke bolusdosering palliatieve pijnbestrijding deze cliënt moest krijgen. Informatie stond verspreid: in een pdf-overdracht van zeven pagina’s, op het apparaat zelf, in een beveiligde mail – en dan iedere keer net weer anders. We hebben een hele dienst besteed aan het achterhalen van de juiste dosering, tot na kantoortijd. Ik kreeg uiteindelijk een spoedanesthesist aan de telefoon  en die vertelde dat het ziekenhuis de informatie gefaxt had naar de  organisatie. Ja die fax die was natuurlijk al lang weg. Uiteindelijk moesten we handelen op gezond verstand. Dat is niet alleen risicovol, het legt ook een enorme druk op zorgverleners.”

‘We vinden dingen normaal die niet normaal zijn.’ Wat bedoel je daarmee?
Wikje: “Zorgverleners zijn gewend geraakt aan inefficiëntie: kopiëren en plakken uit mails, inloggen in drie apps of wisselen tussen systemen. En als je ziek bent, kan je collega soms niet bij informatie die naar jou is gestuurd. Als we mogen nadenken over hoe de ideale wereld eruit zou moeten zien als zorgprofessional, noemen mensen deze dingen soms niet eens meer, omdat het zo ingebakken is. Maar het is niet normaal – en het maakt fouten waarschijnlijker.  We moeten dat samen niet meer accepteren, en het regionaal met de hele keten oplossen.
Ik zeg altijd: maak je eigen ‘shitlist – prioriteer waar je het meeste last van hebt – en zet je schouders eronder. Begin bij de behoefte, betrek de praktijk er vroeg bij en blijf het klein genoeg houden om echt stappen te kunnen maken naar een oplossing.”

Do’s

  • Begin bij de behoefte: wat heeft de cliënt nodig, en wat moet de zorgverlener direct kunnen zien?
  • Maak “niet normaal” bespreekbaar: kopiëren/plakken, wachtlijnen, losse mails → benoemen en vervangen.

Don’ts

  • ‘Fancy’ zonder fit: mooi is niet hetzelfde als bruikbaar.
  • Wachten op perfect: 60% werkend in de praktijk is beter dan 100% helemaal niks.
Vorig bericht

Samen leven tot het einde in leerwerkplaats Rotterdam: met de kracht van de wijk

Volgende bericht

Waar palliatieve zorg écht landt: Acht jaar bouwen aan het goede gesprek bij Accolade